Bladeren in de Bijbel

Artikel verschenen in Kerk en Leven 2019-03, editie Buggenhout

 

Foto: Evangelist Lukas met zijn symbool, de stier. In het begin van zijn evangelie worden dieren geofferd in de tempel.

 

Nog een week en de kersttijd is voorbij. Mochten we toch maar veel warmte opgeslagen hebben om door de normaal koude wintermaanden te komen!

Na vier zondagen hoopvol nieuws over het nieuwe dat gaat beginnen, al begonnen is (“Zie je het niet?” vroeg Jezus aan zijn leerling en vraagt Hij nu aan ons), dan volgen enkele zondagen kerstklanken. Een dubbele Kerstmis, één met herders en één met wijzen uit het Oosten, en daartussen de blik gericht op de H. Familie en in die buurt 1 januari, de blik gericht op Maria zelf.

We zijn met enkele tientallen mensen onze nieuwjaarsbrief gaan aflezen in de kerk om 10 uur op Nieuwjaar, bij ons aller moeder en de Moeder Gods. Of we ook iets gekregen hebben? Nee, geen centje, wel veel genade, want zij is ‘vol van genade’ (bidden we in het Weesgegroet) en deelt die rijkelijk uit. Maria deelt vrede uit. En de beste wijn laat ze uitdelen: in Kana, op de bruiloft van een koppel, even in verlegenheid, maar daarna kon de vreugde niet op!

 

De groene tijd begint weer, trekt zich op tot aan Asdag wanneer de vasten begint. Na Pinksteren gaat die groene tijd verder, tot 34 zondagen ver. Groen is in tegenwoordig. Ons milieu wordt velen dierbaar, mooier en gelovig gezegd: de schepping Gods fascineert ons weer als ‘moeder aarde’ waar we niet kunnen mee spotten en die we niet mogen uitbuiten. Onze kinderen zullen er dan ook nog van genieten! Groen in de liturgie is doordeweeks, gewoon, een rustiger tijd waar geen grote feestdagen alles overheersen zoals Pasen en Kerstmis en Pinksteren. Dat gewone is bijzonder. “Het ideaal van het alledaagse” zei en schreef ooit iemand. Een levenskenner, dat is meteen duidelijk.

 

Lukas, de evangelist die we meestal lezen in deze jaargang (C), heeft een bijzonder voornemen als hij zijn evangelie begint. Hij ziet vijf grote delen in Jezus’ leven.

Eerst de kindsheid van Jezus… (hoofdst 1-2) Toch twee bijzondere hoofdstukken lang waaruit we graag gelezen hebben in de advent en de kersttijd. Hij weet zoveel te vertellen, Hij moet het van geen vreemden hebben, waarom niet van Maria die als eerste getuige aan Lukas vertelde over die mooie tijd. Jezus als kind en opgroeiende jongen. Ook over Maria’s leven later heeft Lukas enkele prachtige details opgevangen.

Na de kindertijd begint Jezus zijn openbaar leven. (hoofdst 3-9) Verkondigend, predikend, genezend, bevrijdend trekt Hij rond van stad tot stad, zeg maar van mens tot mens. De mensen zien Hem graag. Hij is goed, zo goed als God, zeggen de mensen, zo vader, zo zoon. De mensen zien veel en weten veel, ze hebben een open hart.

Dan begint Jezus vanuit Galilea een tocht. (hoofdst 9, 51) Door Samaria, zowat het verboden of verworpen land, en keert zich naar Judea in het zuiden, met de grote stad Jeruzalem, beeld van het hemelse Sion.

Daar zal Hij verheerlijkt worden (Heer worden) door de Vader (hoofdst 21), maar tegelijk in dezelfde beweging verworpen door velen die Hem steeds meer naar het leven staan. Jezus kennen is Hem binnenlaten en naar Hem luisteren. Verbaas je, Hij zegt ons af en toe eens heel straffe dingen, geeft ons tegendraadse opmerkingen en wenken stroomopwaarts. Velen konden Hem niet af, meden Hem, én probeerden Hem monddood te maken. Ze voelden hoe Hij macht en invloed, rijkdom en ego afwees, zeker wanneer Hij merkte dat er geen ‘dienst’ achter zat en geen mensen er beter van werden, als mensen net daardoor werden afgezonderd of uitgesloten. Ze moest vroeg of laat barsten, die abces van hoogmoed en geldingsdrang en geldzucht.

Tenslotte volgen we Jezus op zijn kruisweg. (hoofdst 22) Eindigend (of voor ons begint het hier) met het prachtige Emmaüsverhaal (24,13-35). We zijn nog steeds op weg naar Jeruzalem, en Hij gaat nog steeds met ons mee. En breekt voor ons het brood. Elke zondag.

 

Terug naar de kersttijd die eindigt en de groene tijd die begint. Als Jezus tussen de geleerden zit (einde Lk 2 en laatste verhaal van Lukas over de kindertijd) begint zijn openbaar leven eigenlijk al. Want Hij zit daar in Jeruzalem, in de tempel, bij zijn Vader thuis, tegenover geleerden die Hij profetisch onderricht. Hij leidt als priester reeds het woord in de woorddienst, in zijn tempel waar zijn Vader geëerd wordt. Ze zullen Hem daar niet meer vergeten: wat een flinke jongen, een aardje naar zijn vaartje!

“Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn” heeft Hij aan Maria en Jozef gezegd. En Maria herinnert zich dat, bewaart alles in haar hart en overweegt het haar leven lang.  Wat Jezus daar net zei, waren de eerste woorden van Hem in het Lukasevangelie nadat velen òver Hem hebben gesproken. Het was meteen over zijn Vader! Bij zijn doop, dertig jaar later (een bladzijde verder in Lukas’ verhaal) zal die Vader Hem daarin bevestigen: “Mijne Jongen is dit, luister goed naar Hem.”

Daarmee ontdekken we twee goede bezigheden voor flinke christenen: 1 bij de Vader zijn, de tempel of de kerk eens binnenlopen (Jezus), en 2 in je hart overwegen wat de Heer heeft gezegd (Maria). Tweemaal bidden. Tweemaal het roer even overgeven en aanvaarden dat de Heer de beste stuurman van je leven is. Geloof het maar goed!

 

Pater Herman